• ‘Kijk een vogeltje, het zit op de lucht’ (Isa)
  • ‘Jij hebt een schrijvertje (een pen)’ (Rick)
  • ‘Mijn schoenen werden steeds kleiner’ (Jip)
  • ‘We gaan pulezzen’ (Allard)
  • ‘Ik heb een grote gaap in mijn mond’ (Willem)
  • ‘Hé Hojannes, wacht op mij!’ (Maurits)
  • ‘Ik had mijn slaklamp mee’ (Hidde)
  • ‘Mag ik de stippenlift?’ (Tistan)
  • ‘Ik moet even snotnuizen’ (Thymen)
  • ‘Dit zijn mijn pa toffels’ (Gwen)
  • ‘Is dat een parazon?’ (Jenna)
  • ‘Ik heb thuis een zonderbril!’ (Wouter)